Voorpublicatie Bisou

5228_kwi_bisou_om_72dpi2

Illustratie: Harry Hanneuse

Bisou, Laura’s kat, is dood. Ze kreeg hem bij haar geboorte van de Franse mevrouw Severin. Als ze in de zomervakantie met haar vader en haar beste vriend Timbo naar Frankrijk gaat, ontmoeten ze Marc met zijn mooie glimlach. Met z’n drieën gaan ze op zoek naar de plek waar Bisou vandaan kwam. In een afgelegen huis ontdekt Laura niet alleen de kattenfamilie van Bisou, maar komt ze ook op het spoor van een groot geheim over haar eigen leven.

Hoofdstuk 1 Bisou

Mevrouw Bes, onze lerares Nederlands, liep door de klas in een spijkerbroek die uit de mode was en waarvan de pijpen te kort waren. Tussen haar witte sportsokken en de broek was een stukje been te zien. En op dat been zaten haren. Ik kon niet meer stoppen met kijken toen ik dat eenmaal ontdekt had. Daarom had ik niet gehoord wat het huiswerk was. Ze bleef bij mijn tafel staan en herhaalde op luide toon:
‘Laura Laporte, ook voor jou geldt dat je maandag een opstel moet inleveren over je hobby. Overschrijven van internet is verboden. Ik wil echte interesse zien. Ook jij hebt vast een passie, misschien kun je ons daar nu al iets over vertellen?’
Gelukkig ging daarna de bel en was ik verlost van de harige benen en het zweterige schoollokaal. Wat mijn passie was ging niemand wat aan. Het antwoord op de vraag was namelijk: ik wil graag gezoend worden op mijn dertiende verjaardag (of ervoor of vlak erna, maar in ieder geval wel voordat ik dertieneneenhalf ben).
Ik holde de gangen door op weg naar de zon en het weekend. In de fietsenkelder rook het naar koel beton en de inhoud van de grijze vuilcontainers die in een hoek stonden. Ik hield mijn adem in, liep naar mijn fiets en sleepte hem zo snel mogelijk door de smalle goot naast de trap weer het zonlicht in. Ik zou na school mijn vader helpen in de winkel waar hij sinds kort werkte. Voor vijf euro per uur legde ik af en toe groenten en granen in de schappen van de kleine natuurwinkel in het centrum van de stad.

‘Je vader is er niet.’ Meneer Darius, de eigenaar van de zaak, scande de boodschappen van een grijze mevrouw en keek me niet aan terwijl hij sprak. Achter de vrouw stonden nog een stuk of vijf mensen met volle karren. Ik hoopte dat mijn vader niet weer ontslagen was.
‘Hij mag geluk hebben met dit baantje,’ had mijn moeder door de telefoon tegen een vriendin gezegd, ‘maar hij is koppig en weet het altijd beter dan zijn baas’.
Ik bleef staan wachten totdat meneer Darius klaar was en me zou vertellen wat ik moest doen. Maar na twee klanten zei hij nog steeds niets. Misschien had ik me vergist in de dag en bovendien was het mooi weer. Zonder iets te zeggen liep ik weer naar buiten.
Ik pakte mijn fiets en legde het laatste stuk af naar ons huis, dat iets buiten het centrum van de stad lag. De laatste honderd meter kende ik uit mijn hoofd. Zelfs met mijn ogen dicht wist ik welke kleur de voordeuren hadden en welke auto’s er voor de huizen stonden. Een man op een grasmaaier was bezig om het gras in de berm te kortwieken, de grassnippers sproeiden als een groene fontein omhoog. Toen ik de hoek om kwam zag ik dat het hondenuitlaatveldje achter ons huis al was gedaan, je zag de stroken waar de machine heen en weer had gereden. Het rook naar vers gras vermengd met benzinelucht.

Ik zette mijn fiets tegen de stam van de kastanjeboom, die met zijn enorme takken voor schaduw in onze tuin zorgde. Er stonden veel bloeiende struiken in van mijn moeder, maar het grootste gedeelte was voor de moestuin waar mijn vader veel tijd in doorbracht om zijn boontjes tegen stammen op te laten groeien en waar hij streed tegen de slakken die het voorzien hadden op zijn malse kroppen sla.
De keukendeur ging open nog voordat ik mijn sleutel in het slot kon steken. Mijn vader keek me met roodomrande ogen aan en sloot me in zijn armen. Hij was dus toch ontslagen vreesde ik.
‘Ik was net bij de winkel…’ begon ik en ik voelde mijn eigen adem tegen zijn trui.
Hij groef zijn hoofd verder in mijn schouder en zei toen wat schor: ‘Bisou is dood.’
Wat zei hij nou? Mijn Bisou, mijn mooie kat, die vanmorgen nog onder de kastanjeboom in de tuin zat, was dood? Ik wrong me voorzichtig uit de omhelzing en voelde me plotseling een beetje misselijk.
‘Hoezo dood? vroeg ik.
‘Dood, als in niet meer levend,’ fluisterde hij, alsof dat alles verduidelijkte.
‘Waar is hij?’ Mijn stem leek van ver te komen en er zat een bibber in.
Hij legde een arm om mijn schouder en langzaam liepen we naar de woonkamer.

Op de eettafel lag een zwart fluwelen kleed met daarop een vierkante schoenendoos. Toen ik dichterbij kwam, zag ik eerst een rode roos. Daarna zag ik een klein grijs kopje. Het kopje van mijn kat Bisou. Zijn snorharen, of wat daarvan over was na dertien jaar en een paar maanden, stonden nog overeind, maar de snuit eromheen was bijna wit. Achter zijn grote oren waren kale plekjes te zien. De bodem van de doos was bedekt met papieren zakdoekjes die rood waren gekleurd waar het kopje van Bisou lag. Alsof hij een bloedneus had gehad.
‘Ik heb zijn ogen gesloten, maar ik krijg zijn bek niet dicht,’ snikte mijn moeder en aaide met haar wijsvinger heel zacht achter zijn oren. ‘Ik heb het geprobeerd, maar het wil niet, je blijft de hoektanden zien’.
Mijn dode kat Bisou lag in een schoenendoos met opgetrokken bovenlip. Hij zag eruit alsof hij in zijn slaap een gevaarlijk monster tegenkwam of misschien dacht hij door zijn tanden te laten zien dat hij zelf een gevaarlijk monster was. Maar hij dacht natuurlijk niks meer, want hij was dood.

Meer lezen: ‘Bisou’ is vanaf 15 augustus te bestellen via uitgeverij Kwintessens
€ 7,50,- Leesindicatie Avi E7/plus

 

 

Advertenties